De Nobelprijs voor de Economie gaat dit jaar naar twee Amerikaanse economen: Robert E. Hall en Michael Woodford. Ze krijgen de prijs voor hun werk rond modellen die overheden en centrale banken helpen om met economische schokken om te gaan.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een energiecrisis, zoals toen Rusland de oorlog tegen Oekraïne begon in 2022 en de gasprijzen in Europa omhoogschoten.
"Hun onderzoek heeft ervoor gezorgd dat grote economische crises effectiever bestreden kunnen worden", zegt het Nobelcomité. "Dat is zeer nuttig geweest tijdens de pandemie en de energiecrises van de afgelopen jaren."
Robert E. Hall onderzocht hoe consumenten in een crisis beslissen of en hoeveel geld ze uitgeven, op basis van wat ze denken te verdienen in de toekomst. Michael Woodford onderzocht hoe bedrijven beslissen over hun prijzen, op basis van wat ze denken dat de rente in de toekomst zal zijn.
Geen echte Nobelprijs
De Nobelprijs voor Economie is eigenlijk geen echte Nobelprijs, omdat deze niet door Alfred Nobel is bedacht. De andere Nobelprijzen worden al sinds 1901 uitgereikt, de 'Nobelprijs' voor Economie pas sinds 1969.
De officiële benaming is dan ook 'De Prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economische Wetenschappen ter nagedachtenis aan Alfred Nobel'.
Dat de prijs weer naar Amerikanen gaat is geen verrassing: van de 101 laureaten in deze categorie hadden ruim zeventig de Amerikaanse nationaliteit. Sterker nog, met elk veertien hebben zowel de Harvard University als het Massachusetts Institute of Technology er meer dan het eerstvolgende land, het Verenigd Koninkrijk met dertien laureaten.
Drie Nederlanders kregen deze eer, onder wie Jan Tinbergen als eerste in 1969. Ook is de vorig jaar onderscheiden Amerikaans-Israëlische Joel Mokyr geboren in Nederland.