Hoe krijg je jongeren bij wie sprake is van gewelddadige radicalisering, daar weer vanaf? Het is een vraag die je de afgelopen dagen vaker hoort, nadat vorige week drie jonge terreurverdachten werden opgepakt in De Rijp, Rotterdam en Eindhoven. Volgens het Openbaar Ministerie zijn ze aangehouden op verdenking van "het voorbereiden van een mogelijke aanslag".

Twee van hen werden als minderjarigen eerder veroordeeld voor terrorisme. Een van de drie, een 19-jarige man uit Eindhoven, zat eerder een gevangenisstraf uit voor het voorbereiden van een jihadistische aanslag in België. Een 17-jarige verdachte uit De Rijp kreeg eveneens een gevangenisstraf, vanwege deelname aan terreurgroep IS.

Vandaag maakte het OM bekend dat donderdag een 20-jarige man uit Bergen op Zoom is aangehouden. Hij wordt ervan verdacht dat hij zich mogelijk wilde aansluiten bij ISKP, de van oorsprong Afghaanse tak van IS.

Bij De Waag, het oudste centrum voor forensische geestelijke gezondheidszorg van ons land, is er een behandelprogramma gericht op jongeren die zijn geradicaliseerd of bij wie er zorgen over zijn. Dat zijn vaak lange trajecten die soms wel twee of drie jaar kunnen duren. Om te begrijpen hoe zo'n proces eruitziet, moet je volgens Simone Dust - programmamanager Jeugd - eerst weten wie er vatbaar zijn voor radicalisering.

Identiteitsvragen

"In het algemeen kan je zeggen dat mensen die weinig verbinding ervaren met de maatschappij, een geïsoleerd leven leiden en moeilijk contact hebben met anderen, meer risico lopen om te radicaliseren", zegt Dust. "Dat zijn bijvoorbeeld mensen met een negatiever zelfbeeld of een gevoel dat hen op een bepaalde manier onrecht is aangedaan.

Daar kunnen volgens de programmamanager verschillende oorzaken onder liggen. Denk daarbij onder meer aan eerdere ervaringen met discriminatie of sociale uitsluiting. "Wat je ziet, is dat kwetsbare mensen met tegenslagen te maken krijgen waardoor ze kampen met identiteitsvragen. Wie ben ik, waar hoor ik thuis? Als je dat soort vragen hebt, ga je op zoek naar antwoorden."

Vervolgens vinden sommigen die antwoorden online bij groepen met extremistisch gedachtegoed. "Dat kan hun een verklaring geven voor de vragen die ze hebben, dat het leven niet loopt zoals ze zouden willen. In zo'n groep word je geaccepteerd, en wordt vaak ook een gemeenschappelijk vijandsbeeld ontwikkeld." Vanaf daar kan het volgens onderzoekers steeds verder gaan.

Hoe draai je dat om? Een jongere komt grofweg op twee manieren in beeld voor een behandeltraject: een vrijwillige en een gedwongen route. Bij de vrijwillige route merken bijvoorbeeld ouders of docenten verontrustende gedragsveranderingen waar ze melding van doen. Maar het vaakste is er sprake van de gedwongen route waarbij de behandeling onderdeel is van een rechterlijke uitspraak. Volgens de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding staan er zo'n 250 tot 300 mensen onder behandeling bij de instanties.

Geen gesprek over wereldbeeld

"In zo'n behandeltraject proberen we niet iemand af te brengen van een bepaald wereldbeeld, maar de focus ligt op het voorkomen van nieuw geweld", zegt Simone Dust. "Vaak zijn de opvattingen van deze mensen zó anders dan die van de behandelaren, dat een gesprek daarover snel botst. Hoe harder je dat probeert te veranderen, hoe harder de ander zegt: wat maakt dat jouw wereldbeeld wel klopt en mijne niet?"

Een benadering waarbij een behandelaar in een rechte lijn van A naar B aan een cliënt vraagt om geweld af te zweren, stuit op weerstand. Daarom wordt juist uitgezocht welke factoren samenhangen met de bereidheid om geweld te gebruiken.

"Het is belangrijk dat mensen zich gehoord en erkend voelen", zegt Dust. "Behandelaren vragen zich daarom af waarom het leven van een cliënt nou zo gelopen is en waarom die zo naar de wereld kijkt, dat is niet zomaar ontstaan."

Naast traumabehandeling focussen behandelaren ook op een positief toekomstperspectief en zorgen ze dat iemand weer in verbinding komt met de maatschappij: "Als dat slaagt, lijken iemands problemen minder groot en neemt de bereidheid om geweld te gebruiken ook af."

Al kost dat wel tijd, vaak tussen de twee en drie jaar. Daar is volgens haar weleens verwarring over. "Mensen denken dat de risico's kleiner worden op het moment dat de behandeling start. Dat is niet zo", zegt ze. "Het risico neemt langzaam af, omdat de behandeling lang duurt. Na twee gesprekken is er nog nauwelijks een verbinding met iemand. Dat is tijdrovend."

Volgens behandelaren van De Waag is het lastig om iets te zeggen over het succes van zo'n behandeling. Wel neemt volgens Dust het risico af als geradicaliseerde jongeren ouder worden en beter zelfstandig keuzes leren maken.

Bron