Israëliërs die rennen naar de schuilkelder bij een luchtalarm, het zijn beelden die deze dagen veel voorbijkomen. Maar lang niet iedereen heeft de optie, publieke schuilkelders zijn oneerlijk verdeeld over het land. Met name de Palestijnse inwoners van Israël hebben lang niet altijd een veilige plek om naartoe te vluchten bij een raketaanval.

Zo'n twintig procent van de Israëlische bevolking is Palestijns. Het zijn Palestijnen die na de stichting van de staat Israël in 1948 om verschillende redenen konden blijven. Inmiddels zijn deze Palestijnen Israëlische staatsburgers geworden, maar hun veiligheid heeft voor de Israëlische regering aanzienlijk minder prioriteit.

Ongelijke verdeling

Volgens een eerder onderzoek van de Israëlische ombudsman staan van de ongeveer 12.000 publieke schuilkelders in Israël er maar 37 in de dorpen waar Palestijnen wonen. Terwijl zij net zoveel gevaar lopen om door een raket te worden geraakt als Joodse Israëliërs.

De ongelijkheid tussen Joodse en Palestijnse burgers op het vlak van veiligheid is al jaren een probleem. Elke keer als er door een aanval doden of gewonden vallen in de Palestijnse gemeenschap in Israël, laait de discussie weer op. Maar verbetering blijft uit, met als gevolg een groot gevoel van onveiligheid bij de Palestijnse gemeenschap.

Volgens een recente peiling van het Israel Democracy Institute in Jeruzalem voelt 74 procent van de Joodse inwoners zich beschermd tegen de Iraanse aanvallen. Bij de Palestijnse inwoners is dat maar 15 procent.

De situatie is het schrijnendst bij de bedoeïenen. In het zuiden van het land in de Negev wonen zo'n 300.000 bedoeïenen die zich daar in dorpen en steden hebben gevestigd. Ruim tweederde van die groep heeft geen toegang tot een schuilkelder.

Een groot deel van de bedoeïen woont in dorpen die niet door de staat Israël worden erkend. De dorpen zijn daarom niet aangesloten op voorzieningen als stroom en water en dus zijn er ook geen schuilkelders.

Layla Alfrejat is een van hen. Zij woont in het dorp Bir al-Mashash met haar man en hun zeven kinderen. "Er is hier geen enkele schuilkelder. Ik ben bang en op het moment dat de luchtalarmen afgaan weet ik niet wat ik moet doen. Ik moet sterk blijven voor mijn kinderen, maar ik ben niet sterk want ik ben bang", zegt ze. En die angst is gegrond, want tijdens de oorlogen van de afgelopen jaren vielen er doden en gewonden door raketten.

Schuilen in een tunnel

Bir al-Mashash en een aantal andere dorpen liggen ook nog eens vlak bij een militair vliegveld dat tijdens een oorlog een mogelijk doelwit kan zijn. En dus zoekt men naar alternatieven voor een schuilkelder, zoals een lage tunnel die onder de snelweg langs de dorpen loopt.

Alfrejat laat de tunnel zien: "Ik kan op deze plek niet rechtop staan. Er is geen wc, helemaal niks. In de nacht is het donker. Op sommige momenten zitten we hier met 200 mensen. Iedereen zit bovenop elkaar en er wordt geschreeuwd. En je ziet de raketten in de lucht vliegen. Het is echt heel eng."

Bovendien ligt de tunnel dus buiten de dorpen en is die voor veel mensen te ver weg. Ook Alfrejat heeft een kwartier nodig om er te komen, maar dat is niet snel genoeg. "Soms zie ik de raketten al in de lucht als ik nog onderweg ben. En voor mensen die slecht ter been zijn is dit helemaal niet te doen. Die blijven maar gewoon thuis."

Rechten

Bewoners blijven met hulp van maatschappelijke organisaties eisen dat de staat ook hun veiligheid garandeert. "Wij zijn de oorspronkelijke bewoners van dit gebied. Wij woonden hier al voordat de staat Israël in 1948 werd opgericht. Wij moeten daarom dezelfde rechten krijgen als andere burgers", zegt Maegel Hawashli. Hij is hoofd van koepelorganisatie van de niet-erkende dorpen. "Dit is toch een democratisch land? Hoe kan het dan dat die andere inwoners wel schuilkelders krijgen en wij niet? Wij zijn constant bang voor raketten en willen een plek om te kunnen schuilen."

Alfrejat is het daarmee eens: "Wij vragen niet meer dan waar we recht op hebben. We vragen om iets simpels. Als een land een oorlog begint moet het eerst de eigen burgers kunnen beschermen. Meer dan dat vragen we niet."

Bron