Het decennialang baggeren van de vaargeul van de Westerschelde heeft schadelijke gevolgen voor de natuur. Dat blijkt uit onderzoek van onder meer het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Het afwisselende landschap van slikken en schorren verandert volgens de onderzoekers langzaam in een eentoniger gebied.
De natuur van de Westerschelde bestaat voornamelijk uit onbegroeide slikken en begroeide schorren. Deze buitendijkse gebieden vormen samen één geheel en zijn belangrijk voor onder andere trekvogels en zeehonden.
De belangrijke wisselwerking tussen slikken en schorren is cruciaal, stellen de onderzoekers, maar door het baggeren is dat evenwicht verstoord en gaat de natuur in de Westerschelde achteruit.
Slikken en schorren
Slikken zijn delen van de oevers die bij eb droogvallen en bij vloed overstromen met zout of brak water. In deze gebieden leven veel bodemdiertjes, zoals wormen, krabben en schelpdieren.
Terugtrekkend water laat een laagje slib achter op de slikken. Dat slib kan zich ophopen en geleidelijk aan boven de waterlijn uitsteken. Deze hoger gelegen delen heten schorren. Ze lopen alleen bij springtij onder water, dat is gemiddeld maar zo'n twee keer per maand. Op schorren komen, in tegenstelling tot slikken, planten voor.
Om de haven van Antwerpen te kunnen bereiken, is de vaargeul in de Westerschelde sinds de jaren zeventig drie keer verdiept en verbreed. Daarvoor moet ook jaarlijks gebaggerd worden, schrijft Omroep Zeeland. In 1950 was dat nog een half miljoen kuub, maar inmiddels is dat 7 tot 10 miljoen kuub per jaar.
Het NIOZ analyseerde samen met de universiteiten van Utrecht en Antwerpen bijna zeventig jaar aan data van Rijkswaterstaat. Daaruit blijkt dat de keuze over waar zand en slib wordt teruggestort, een groot effect heeft op de natuur.
'Baggeren verstoort de balans'
Het baggerslib dat uit de vaargeul wordt gehaald, wordt elders in de Westerschelde gestort. Daardoor worden de slikken verder opgehoogd en komen ze minder vaak onder water te staan. Hierdoor groeien ze uit tot schorren.
"Deze ontwikkeling speelt in de hele Westerschelde", zegt NIOZ-onderzoeker Tim Grandjean. "We zien een structurele omslag die leidt tot een groot verlies aan natuurwaarde."
Sinds 1996 is als gevolg van baggeren en terugstorten circa 500 hectare slik verloren gegaan en grotendeels gegroeid tot hoger gelegen schorren. Dit heeft schadelijke gevolgen voor de biodiversiteit. Het voedselgebied voor vogels neemt af en het hele gebied wordt kwetsbaarder voor zeespiegelstijging, stellen de onderzoekers.
Slib slimmer gebruiken
Om erger te voorkomen moet het baggerslib uit de Westerschelde niet langer worden afgevoerd, maar juist worden ingezet in het gebied zelf, is de aanbeveling van de onderzoekers. "Stoppen met baggeren is geen optie, vaargeulonderhoud blijft noodzakelijk", zegt Grandjean. "Maar de manier waarop we omgaan met het baggerslib bepaalt hoe de Westerschelde zich verder ontwikkelt."
Het slib kan bijvoorbeeld gebruikt worden bij laaggelegen dijkzones en om het landschap te laten meegroeien met de zeespiegelstijging. "De Westerschelde staat op een kantelpunt", stelt Grandjean. "Laten we het sediment dat we vandaag verplaatsen, inzetten voor een robuuste, toekomstbestendige Westerschelde voor de volgende generaties Zeeuwen."